Uit recent onderzoek blijkt dat 26% van de Katwijkers tussen de 16 en 75 jaar moeite heeft met basisvaardigheden. Dit percentage ligt boven het landelijk gemiddelde van 22%. Het gaat hierbij niet alleen om laaggeletterdheid, maar ook om bredere vaardigheden, zoals lezen, schrijven, rekenen en digitale vaardigheden. In totaal gaat het om ongeveer 12.000 inwoners die hierdoor beperkingen ervaren in hun dagelijks functioneren. Volgens wethouder Emile Soetendal is de omvang van het probleem reden tot zorg. “Als één op de vier inwoners moeite heeft met taal, rekenen of digitale vaardigheden, dan is er iets aan de hand.” De gemeente komt daarom met het Actieplan Basisvaardigheden 2026–2027.

Inwoners die moeite hebben met basisvaardigheden lopen in het dagelijks leven tegen verschillende concrete barrières aan. Zo kunnen zij gemeentelijke brieven over bijvoorbeeld een uitkeringsaanvraag niet goed begrijpen of schriftelijke informatie van school niet lezen, waardoor zij hun kinderen minder goed kunnen ondersteunen. Daarnaast kunnen zij in financiële problemen terechtkomen doordat zij officiële documenten en financiële stukken niet goed begrijpen. Dit heeft directe gevolgen voor hun bestaanszekerheid.

Binnen deze aanpak worden drie groepen onderscheiden waarin deze problematiek relatief vaak voorkomt. De eerste groep bestaat uit mensen met Nederlands als eerste taal (NT1). Dit is de grootste groep, met circa 9.500 personen. Het gaat om mensen die al langdurig met deze problemen worstelen, variërend van jongeren tot ouderen. Daarnaast zijn er ongeveer 5.400 mensen die moeite hebben met rekenen en met de Nederlandse taal op de werkvloer. De derde groep bestaat uit vrouwelijke statushouders. Hoewel er geen exacte cijfers beschikbaar zijn, wordt ook deze groep op enkele duizenden personen geschat. Zij bevinden zich vaak in een sociaal isolement.

Advertentie

De gemeente kiest voor een lokale aanpak en wil ondersteuning dichter bij inwoners organiseren. Daarom wordt ingezet op hulp op plekken waar mensen al komen, zoals scholen, kinderopvangorganisaties, de werkvloer en wijkvoorzieningen. Ook worden medewerkers van onder meer het Welzijnskwartier en de schuldhulpverlening getraind om signalen van beperkte basisvaardigheden eerder te herkennen. Voor statushouders worden daarnaast laagdrempelige activiteiten georganiseerd rondom thema’s als opvoeding en gezondheid.
Daarbij is een zorgvuldige benadering volgens Soetendal essentieel. “Je kunt natuurlijk niet tegen iemand zeggen: ‘Ik merk dat u de Nederlandse taal niet goed beheerst’. Dat is vrij pijnlijk”, aldus de wethouder. Daarom moet de ondersteuning volgens hem niet voelen als een overval. “Je moet mensen meenemen, bijvoorbeeld door samen formulieren door te nemen.”

De aanpak is bewust lokaal georganiseerd. De gemeente kiest ervoor om dichter bij inwoners te staan dan binnen de regionale aanpak mogelijk zou zijn. Daarbij wordt ingezet op systeemverandering, waarbij het systeem beter aansluit op de leefwereld van inwoners, in plaats van andersom. Volgens Soetendal probeert de gemeente daarbij “de toegang te vereenvoudigen, zodat mensen weten waar zij informatie kunnen vinden en die informatie ook begrijpen”. Ook wordt gewerkt aan het verbeteren van de digitale toegankelijkheid, onder meer door het taalniveau van de gemeentelijke website aan te passen en de route naar ondersteuning duidelijker te maken.

Soetendal benadrukt dat de problematiek niet van de ene op de andere dag zal verdwijnen. “Ik verwacht niet dat het morgen is opgelost. Dit vraagt om blijvende aandacht en vooral om volharding.” Tegelijkertijd heeft hij een duidelijke ambitie: “Als we het binnen enkele jaren kunnen terugbrengen naar het landelijk gemiddelde, dan hebben we het heel goed gedaan.”